Hanneke Poelmans

Fotografie: Bianca Toeps

“Automatisch”

Mei, 1996. Of misschien een jaar later. Ik zit met mijn klas in de bus op weg naar het regionale pretpark. Schoolreisje. Ik ben helemaal opgewonden, hier heb ik zin in. In de bus zit ik, in m’n eentje, achter Jolanda en Annet. Ik ben druk. Ik maak veel grappen. Daar heb ik altijd succes mee. Ook nu, Jolanda moet vaak lachen. Op verjaardagen moeten zelfs de grote mensen vaak om mij lachen, ik voel dan de trotse blik van mijn vader, dat ik al zulke grotemensenonderwerpen ken en daar gevat over kan doen. Met mijn grappen zal ik Jolanda vast inpalmen, dan wil ze de terugweg zeker naast me zitten.

Als we uit de bus stappen, heeft ze echter weinig oog meer voor me. Samen met Annet rent ze door het pretpark; de twee zijn onafscheidelijk. Ik begrijp het niet. Annet is zo’n saaie trien, lang niet zo grappig als ik. Ook bij de lunchpauze (patat en Fristi) blijven ze bij elkaar. Ik houd echter de hele middag hoop. Die grappen is ze vast niet vergeten. Als de middag ten einde is en we terug naar de bus moeten, gunt ze me echter geen blik waardig en gaat opnieuw naast Annet zitten. Ik snap er niks van. Ik had zo m’n best gedaan.

Tien jaar later. Ik zit in een cursus die me vanuit het werk is aangeraden. Mijn eerste echte baan. We leren er onszelf herporgrammeren op basis van onze hersenen en taal. Het is een hype op dat moment, vrijwel het hele team heeft de cursus al gevolgd. Zelf voel ik weinig bij de opdrachten; elke keer dat we een vragenlijst moeten invullen die meer over ons zou moeten vertellen, komt er bij mij nooit een duidelijk profiel uit. Ik ben niet het een of het ander.

In mijn groep zitten twee andere jonge vrouwen van mijn leeftijd. Ik merk dat ze automatisch naar elkaar toegaan en precies weten wat ze moeten zeggen. Na afloop van een cursusdag blijven ze op de parkeerplaats met elkaar staan kletsen. Een volgende keer neemt de één een boek voor de ander mee, waar ze het met elkaar over hebben gehad. Ik sta erbij en kijk ernaar. Zoals ik de jaren ervoor en erna blijf doen. Hoe doen ze dat toch? Waarom lukt het mij niet om een verbinding met mensen te maken? Waarom gaat het bij anderen vanzelf? Ik weet het niet.

Weer twintig jaar verder. Als bijna 40-jarige word ik na jaren thuiswerken weer onderdeel van een team, op een kantoor. Net als in de bus naar het schoolreisje ben ik opgewonden. De nieuwe omgeving, de mensen; het maakt iets in me los waarvan ik niet wist dat ik het had gemist. Mijn brein maakt nieuwe verbindingen, ik krijg impulsen en ideeën, alleen al van de andere omgeving. Ik word meteen toegevoegd aan de groepsapp en ik zie meteen wat de dynamiek is. Jolig. Gevatte grappen. Helemaal mijn ding!

Fotografie: Bianca Toeps

Ik doe meteen mee, ontwerp zelf een gevatte meme, gebaseerd op een tekening van mijn lievelingscartoonist Evert Kwok. Met een scherpe woordgrap, en heel wat digitaal knutselwerk om ook het beeld goed te krijgen. Ik ben er trots op. Blij wacht ik op de stroom reacties die ongetwijfeld snel zal volgen. Het blijft stil. Na een uur heeft één persoon een lach-emoji geplaatst; de volgende 24 uur volgen er nog drie. Het valt in het niet bij de stroom aan likes en reacties die ze verder op elkaar hebben.

Ik begrijp wel dat ik er nog niet echt bij hoor, en dat ik nog geen krediet heb opgebouwd. Maar ook de maanden daarna wordt er nauwelijks op mijn gevatte (woord)grappen gereageerd. Terwijl ik me schriftelijk juist zo goed kan uiten! Face to face vind ik het moeilijker om me in een groep te begeven, maar digitaal durf ik meer. Toch blijft de echte aansluiting, digitaal én face to face, ook hier uit. Ok, ik ben een ‘externe’, niet vast in dienst zoals de meesten, maar ik zie dat andere externen die na mij binnenkwamen wel worden opgenomen en makkelijker contact maken.

Ik ben niet onsociaal. Ik maak makkelijk contact, laat geen ongemakkelijke stiltes vallen, kan een ander goed lezen en aanvoelen. Maar een laag dieper gaan? Dat lukt niet. Contact onderhouden gaat niet. Op een feestje, in de kroeg ben ik je beste gezelschap voor een avond (al dans ik liever dan dat ik praat), maar ik zou niet weten hoe ik er daarna mee om moet gaan. Ik weet niet waar het hem in zit. Ik doe zo m’n best, denk van tevoren na over wat ik wil gaan zeggen, probeer de ander goed te lezen en goed te reageren. Maar ik neem nooit zelf initiatief. Ik wil mezelf niet opdringen.

Want hoe weet je wanneer je moet beginnen? Of moet stoppen met vragen stellen? Gelukkig heb ik vriendinnen die dit niet erg vinden en zelf initiatief nemen. Zo zie ik ze toch nog een paar keer per jaar.

Ik heb nooit veel vrienden gehad. Ik denk ook dat ik goed alleen kan zijn. Mijn ouders vonden het vroeger al zo fijn dat ik mezelf zo goed kon vermaken. In de coronatijd heb ik geen moment last gehad van het missen van sociale contacten. Mijn leven was niet veel anders dan voor corona. Toch merk ik altijd als ik wél in een sociale situatie ben geweest, dat het me goed heeft gedaan. Dat ik ben opgeladen, nieuwe perspectieven heb gezien en gehoord (al raak ik mezelf ook vaak kwijt). Een mens is nu eenmaal een sociaal dier.

Online heb ik de afgelopen jaren veel geleerd over autisme en herken ik me in veel andere neurodiverse mensen die hier open over spreken. Toch lukt het me ook hier niet om een band aan te gaan. Ik ben bang dat ik me opdring, of dat ik iets moet onderhouden en waarmaken wat ik helemaal niet kan. Dat ik fouten zal maken. En dat het megaveel energie zal kosten. Want het gaat niet vanzelf. Dat is het nooit gegaan. Wanneer hoor je erbij? Wanneer kun je volledig jezelf zijn? Is het te leren? Of zit het er gewoon niet in? Wie het weet, mag het zeggen.